Aids






Aids is een syndroom dat wordt veroorzaakt door een retrovirus, het hiv-virus (Human Immunodeficiency Virus). Aids is een afkorting van Acquired Immune Deficiency Syndrome (Verworven Immunodeficiëntiesyndroom)
De geschiedenis van aids
Een onbekende ziekte
Aan het eind van de jaren '70, begin jaren '80 stak er een onbekende ziekte de kop op in Amerika en iets later in Europa. De weerstand van de getroffen personen was aangetast, 9 van de tien waren homoseksueel en 98 % was man. Het leek een 'Homoziekte', zoals veel kranten toen berichtten en daarom sprak men in eerste instantie over GRID (Gay-Related Immune Deficiency). Later bleek deze aanduiding onjuist te zijn. In 1982 werd duidelijk dat ook gebruikers van verdovende middelen en lijders aan de bloederziekte hemofilie de ziekte konden krijgen. Deze laatstgenoemden kregen bloedtransfusies met besmet bloed. De ziekte kreeg een naam al voordat de verwekker gevonden was: acquired immune deficiency syndrome, aids...
Afweersysteem
Medici veronderstelden dat de ziekte te maken had met het afweersysteem, met name het ontbreken van bepaalde lichamelijke afweerstoffen. Infecties die gezonde mensen overleven, bleken dodelijk voor personen die getroffen waren door de onbekende ziekte, dat was bijvoorbeeld het geval met de longontsteking die door het meestal niet ziekmakende organisme pneumocystis carinii bij deze mensen ontstond.
Ouder dan gedacht
Professor dr. J. Goudsmit schreef dat het aids-virus, hiv, al tientallen jaren eerder dan gedacht voorkwam in Europa. Het virus zou verantwoordelijk zijn geweest voor enkele epidemieën van de bovengenoemde Pneumocystis-longontsteking. De eerste epidemie was in de Poolse stad Danzig (Gdansk) in 1939 en het virus was waarschijnlijk meegekomen met Duitse soldaten vanuit Kameroen. De tweede epidemie stak de kop op tussen 1955 en 1958 in de Kweekschool voor Vroedvrouwen in Heerlen. Er zijn in enkele decennia oude weefselmonsters van patiënten die aan toen onverklaarbare ziekten waren gestorven wel aidsvirussen aangetroffen.
Apen
Volgens Goudsmit is het aidsvirus oorspronkelijk een apenziekte. Het virus is bij de mens terechtgekomen door de jacht op en de handel in apen, het kappen van het Afrikaanse regenwoud en de kolonisatie van Afrika. Aids is een virus, heeft dus gastheren nodig, het aidsvirus stapte dus van de ene gastheer (de aap) over naar een andere gastheer, de mens, en evolueerde verder. In het volgende hoofdstuk staat er meer over de verwantschap van aids met een apenziekte.
Controverse rond de oorzaak van aids
Naar aanleiding van een controverse rond president Thabo Mbeki van Zuid-Afrika publiceerden 5000 wetenschappers in 2000 de Verklaring van Durban, waarin zij stellen dat hiv de oorzaak is van Aids. Desondanks trekt een kleine minderheid van enkele wetenschappers dit verband nog in twijfel.
Oorzaak
Aids was in de eerste decennia na de ontdekking een verschrikkelijk syndroom, dat in de meeste gevallen een dodelijke afloop had (zie hiv). Hiv is een virus en kan worden overgedragen op andere personen door onveilig seksueel contact of door besmetting met bloed. Dit laatste kan op verschillende manieren, bijvoorbeeld bij verslaafden die elkaars naalden lenen of bij een bloedtransfusie. Ook kunnen seropositieve vrouwen het virus doorgeven aan hun baby tijdens de zwangerschap, bij de bevalling of bij het geven van borstvoeding.
Een virus heeft altijd een incubatietijd, de tijd tussen de besmetting en het uitbreken van de ziekte. Bij aids is de gemiddelde incubatietijd 9 à 10 jaar, na deze periode word je dus pas echt ziek, heb je aids. De eerste 9 à 10 jaar ben je seropositief.
Hiv
Aids is een ziekte die bij mensen meestal veroorzaakt wordt door hiv-1. Er is een stamboom van aidsvirussen, daarbij wordt verschil gemaakt tussen menselijke virussen (hiv) en apenvirussen (SIV, simian immunodeficiency virus). De mensvirussen worden onderverdeeld in het veel voorkomende hiv-1 en het zeldzamere hiv-2, dat vooral voorkomt in West-Afrika. Een besmetting met hiv-1 is fataal, maar mensen die met hiv-2 besmet worden, krijgen niet altijd aids. De aapvirussen kun je splitsen in een chimpanseevirus, een roodkopmangabé-virus en verschillende meerkatvirussen. De verschillen tussen deze virussen komen door verschillen in het erfelijk materiaal, RNA, een stof die sterk op het DNA lijkt.
Het aidsvirus behoort tot de retrovirussen, dat wil zeggen virussen waarvan het genetisch materiaal bestaat uit RNA, ribonucleïnezuur. RNA geeft normaal binnen een cel de genetische informatie door die in het DNA verzameld is. Nu zijn er wel meer RNA-virussen die toch geen retrovirussen zijn. Het bijzondere van retrovirussen is dat ze uit RNA de stap terug kunnen maken naar DNA. Hiervan werd lang gedacht dat dit onmogelijk was, en dat de informatiestroom altijd alleen maar kon gaan van DNA naar RNA naar eiwitten. Vanwege hun omkering van dit proces heten deze virussen retro-virussen ('terug'-virussen).
Een virus is geen cel en heeft zelf geen enzymen waarmee een stofwisseling in stand kan worden gehouden. Een virus is voor zijn vermenigvuldiging daarom altijd aangewezen op levende cellen. Daarom dringt een virus levende lichaamscellen binnen en dwingt deze om nieuwe virusdeeltjes te maken die gelijk zijn aan het oorspronkelijk binnengedrongen deeltje. Het virale RNA wordt met behulp van enzymen 'vertaald' tot DNA. Het virale DNA dringt binnen in het DNA van de gastheercel en zet de gastheercel aan tot het maken van viraal RNA voor in het aidsvirus. .
Het erfelijk materiaal van virussen is omhuld door eiwitten. Vaak kan een vaccin tegen een virus worden gemaakt door antistoffen tegen die eiwitten te laten opwekken. Helaas kunnen deze eiwitten bij het aidsvirus snel muteren, wat de bestrijding ervan moeilijker maakt. Het is tot dusver niet mogelijk gebleken om een antigeen in te spuiten om de productie van antistoffen te bevorderen, want die helpen maar tegen één vorm van het eiwitomhulsel. Aangezien dit eiwit al lang weer verder geëvolueerd is heeft vaccin geen blijvend effect. Het tweede nadeel van dit veranderlijke jasje is het feit dat het aidsvirus zelf niet getraceerd kan worden. De ziekte wordt dan ook vastgesteld door bloed te testen op aanwezigheid van antistoffen.
Als een vrouw die draagster is van het aids-virus zwanger is van een baby kan deze met het virus besmet ter wereld komen, maar vaker treedt besmetting pas na de geboorte op. De baby zal wel antistoffen hebben maar die duiden in dit geval niet noodzakelijk op een besmetting met het virus.
Symptomen
Aids leidt tot een algemene immunodeficiëntie. Dit wil zeggen dat de specifieke afweer tegen bedreigingen voor het lichaam wordt afgebroken. We spreken van het aids-stadium als er per ml bloed nog slechts 200 T-helpercellen of minder worden aangetroffen.
Deze verminderde afweer leidt tot een grotere gevoeligheid voor infecties. De aidspatiënt wordt sneller ziek en kan aan meer ziektes tegelijk gaan lijden. Dit noemen we het AIDS related complex.
De volgende symptomen kunnen optreden als ziektes en symptomen:
Het immuunsysteem
Bescherming
De hoofdtaak van het immuunsysteem is het beschermen van het menselijk lichaam tegen binnendringende micro-organismen. Een andere taak van het immuunsysteem is het herkennen en afstoten van lichaamsvreemd materiaal (antigeen), zoals kankercellen. Dit heeft ook wel eens zijn nadelen, bijvoorbeeld bij een getransplanteerd orgaan dat wordt afgestoten.
Immuniteit kan worden onderverdeeld in verschillende soorten, o.a. humorale immuniteit en cellulaire immuniteit. Alleen gewervelde dieren, dus ook de mens, beschikken over een uitgebreid immuunsysteem, dat bestaat uit uitwendige en inwendige organen en veel stoffen.
Uitwendig
Die micro-organismen kunnen het menselijk lichaam aan alle kanten binnendringen. Dit kan bijvoorbeeld via de neus of de mond (bij het inademen), hier raken ze tijdens hun reis naar de longen onherroepelijk verstrikt in het slijm aan de rand van de luchtpijp. Vervolgens wordt het slijm door ciliën, trilhaartjes, naar de keel gestuwd, waarna het wordt doorgeslikt en de micro-organismen door het zuur van de maagsappen zullen worden gedood. De bacteriën, virussen, schimmels of andere micro-organismen kunnen ook op de huid terechtkomen waar ze door een enzym, (lysozym), dat in de talg zit die de huid afscheidt, worden gedood. Micro-organismen die het lichaam via de urinebuis het lichaam proberen binnen te dringen worden over het algemeen door de urine weggespoeld.
Inwendig
Als de microbe het lichaam toch is binnengedrongen, zijn er in het lichaam organen die ervoor proberen te zorgen dat het micro-organisme zich niet gaat ontwikkelen. Dit middels het aanmaken van antistoffen welke het antigeen bestrijden. De bestrijding gaat door totdat er geen antistoffen meer aantoonbaar zijn. Als hetzelfde antigeen later weer het lichaam binnendringt kan de antistof sneller aangemaakt worden en blijft die ook langer in het bloed aanwezig, hierdoor is de immuniteit langer.
Cellulaire immuniteit
Bij cellulaire immuniteit spelen de T-lymfocyten een rol. Ook zij vermenigvuldigen zodra ze in aanraking komen met een antigeen, maar T-lymfocyten produceren moleculen die andere cellen van het immuunsysteem stimuleren om te groeien.
T-lymfocyten worden onderverdeeld in cytotoxische lymfocyten en in helper-T-lymfocytklassen. De eerste herkennen en doden de cellen die geïnfecteerd zijn met de ziekteverwekker, en dat doen zij met behulp van bepaalde witte bloedcellen, lymfocyten. De cellen die later lymfocyten worden, ontstaan in het beenmerg. Een deel gaat via het bloed naar de zwezerik en worden T-lymfocyten, die vreemde eiwitten in de bloedbaan ontdekken. Het andere deel blijft achter in het beenmerg en ontwikkelt zich tot B-lymfocyten. De gerijpte T- en B-lymfocyten komen uiteindelijk terecht in de milt of in het lymfatisch stelsel, waar de lymfklieren en de amandelen onder vallen. Hun taak is het bloed te controleren op micro-organismen en die uit het bloed te filtreren.
Immunoglobulinen
De antistoffen die het menselijk lichaam produceert worden ook wel immunoglobulinen (Ig) genoemd. Deze verbinden zich met het antigeen zodat het onschadelijk wordt. Er zijn vijf verschillende klassen immunoglobulinen, (IgG, IgA, IgM, IgD en IgE), met ieder hun eigen functie.
Humorale immuniteit
Als B-lymfocyt een antigeen tegenkomt, wordt deze aangezet tot celdeling. Dit gaat zo snel dat een deel van de B-lymfocyten verandert in plasmacellen, die op hun beurt weer immunoglobulinen gaan produceren. Op dat moment stijgt de hoeveelheid antistoffen in het bloed, na verloop van tijd neemt deze af, totdat er na ongeveer twee maanden de tweede stimuleren de B-lymfocyten en helpen macrofagen (bepaalde witte bloedcellen) om micro-organismen op te nemen.
Aids en het immuunsysteem
Men dacht dat het aids-virus in het bloed rondzweefde, dat is echter niet het geval. Slechts 2 % van het aidsvirus bevindt zich in het bloed, de overige 98 % zit in de lymfeklieren.
T4-cellen
Een symptoom van aids is een verminderde afweer, dat komt omdat HIV een klein deel van de T-lymfocyten besmet, namelijk de T4-cellen, ook wel CD4-cellen genoemd. Deze kunnen hun 'beroep' dus niet meer uitoefenen, ze doden de cellen die geïnfecteerd zijn met het aidsvirus niet meer.
Er wordt maar een klein deel van de T-lymfocyten besmet en toch richt het aidsvirus een enorme schade aan. Dit komt waarschijnlijk omdat de eiwitten van het aidsvirus zich hechten aan de cellen die het HIV aanvallen. Deze worden dan door de cytotoxische T-lymfocyten aangezien als geïnfecteerde cellen (terwijl ze dat niet zijn) en worden gedood.
HIV besmet niet alleen cytotoxische T-lymfocyten en helper-T-lymfocyten, maar ook macrofagen. De macrofagen kunnen dan geen micro-organismen meer doden.
Onderzoek
De eerste immunologische studies werden gedaan in 1981. In 1980 was men al in staat om de T4-cellen te traceren in het bloed. Er werd een verlies van de T4-cellen geconstateerd, wat de onderzoekers zagen als een aanwijzing voor de verwoestende werking van het aids-virus in het afweersysteem. Pas in 1984 werd duidelijk dat de T4-cellen zelf de receptor, de ontvanger van het aidsvirus was.
Mensen hebben een voorraad van tweehonderd miljoen T4-cellen. Als iemand besmet is met het aidsvirus, heeft die persoon ongeveer een miljard T4-cellen in zijn of haar lichaam zitten, die besmet zijn met het aidsvirus. Als het afweersysteem haar werk goed doet, worden er dus iedere dag een miljard T4-cellen vervangen. Zo wordt het afweersysteem dag in dag uit zwaar op de proef gesteld. Op een gegeven moment kan het afweersysteem het niet meer bijbenen en 'sterven' er iedere dag meer T4-cellen dan dat er bijgemaakt worden. Hoe de T4-cellen verdwijnen is niet helemaal duidelijk. Er zijn twee theorieën voor: of het afweersysteem heeft bepaalde killercellen die geïnfecteerde T4-cellen doden voordat het virus kans heeft gezien om naar buiten te komen, of de cellen gaan kapot nadat het virus zichzelf heeft vermenigvuldigd.
Preventie
Condoomgebruik
Het is niet mogelijk om je als persoon te beveiligen tegen alle mogelijke risico's op aarde en dat geldt ook voor Aids.
Het gebruik van een condoom maakt de kans op besmetting door Aids zeer klein maar (vooral bij onzorgvuldig gebruik) blijft de kans op besmetting aanwezig. Bij zeer massaal, langdurig en zorgvuldig condoomgebruik worden het aantal besmettingen uiteindelijk zo laag dat de epidemie uitwoedt. Het bevorderen van het gebruik van condooms in onder andere derdewereldlanden is een middel om ervoor te zorgen dat aids en hiv zich minder verspreiden.
Het standpunt van het Vaticaan dat het aidsvirus door het condoom heen kan dringen, is zeer waarschijnlijk onjuist en in ieder geval epidemiologisch van geen belang - het is geen reden om geen condooms te gebruiken.
Orthodox-christelijk standpunt
De orthodox-christelijke benaderingswijze om aids te beperken is ingebed in een breder ethisch kader waarin onder meer wordt aangespoord geen seksuele omgang voor het huwelijk te hebben en geen seksuele omgang buiten het huwelijk.
Wetenschappelijk gezien zijn er geen aanwijzingen dat het hebben van seksuele relaties zonder een huwelijk méér risico's zou inhouden dan relaties binnen het huwelijk. Wat wetenschappelijk alle verschil uitmaakt is of er geen relaties plaatsvinden buiten het huwelijk. Als dit het geval is, is er géén kans op seksuele infectie tenzij een van de partners via naalden (bijvoorbeeld door intraveneus druggebruik, of via een bloedtransfusie in landen met minder veilige bloedvoorraden) besmet is geraakt.
Exclusieve trouw aan de (al dan niet huwelijkse) partner is daarom eveneens een effectieve maatregel.
Ten slotte
Helaas blijkt een samenleving met hetzij 100% perfect condoomgebruik hetzij alleen exclusieve monogame relaties vooralsnog een utopie.
De combinatie van beide - het condoom en trouw aan de partner - zou zowel op individueel niveau als op het niveau van de samenleving een goede bescherming te bieden maar in het huidige debat staan de beide strategieën vaak tegenover elkaar.
Zie ook
Externe links