Honkbal






Honkbal is een team- en balsport die vooral populair is in de Verenigde Staten, Mexico, de Caraïben en delen van Azië.
Honkbal is ontstaan uit cricket en lijkt op softbal.
Het spel wordt gespeeld door twee teams bestaande uit negen spelers.
Het sportmateriaal
Bijna iedereen weet dat je voor het honkbalspel een handschoen, een knuppel en een bal nodig hebt. Nadere beschouwing van de sport leert dat er veel meer bij komt kijken. Alleen in knuppels en handschoenen tref je al een verscheidenheid aan van maten, gewichten en modellen. Ook voor het speelveld heb je materialen nodig, zoals honken, thuis- en werpersplaten; deze zijn gemaakt van hard rubber en zijn altijd wit.
Knuppels: Honkbalknuppels zijn van hout of een harde soort lichtmetaal, aluminium. Vroeger werden alleen maar houten knuppels gebruikt. Aluminium knuppels zijn echter eenvoudiger te fabriceren en het is bovendien makkelijker ermee te spelen. Houten knuppels breken snel bij onjuist gebruik.
In de Amerikaanse Major League is het voorgeschreven met hout te slaan. Sinds enige jaren worden ook in internationale wedstrijden (zoals het wereldkampioenschap) houten knuppels gebruikt. Gevolg hiervan is dat ook in de hoogste landelijke klassen (zoals de Nederlandse hoofdklasse) houten knuppels worden gebruikt.
Ballen: Een honkbal is aan de buitenzijde van leer. De kern is van rubber of kurk. Om deze kern heen is wol en katoen gewonden, respectievelijk voor de veerkracht en de stevigheid. Hieromheen is een dun laagje rubberlijm aangebracht en daaroverheen gaat de lederen huid. Een goede honkbal is gemaakt van paardenleer omdat dit niet rekt.
Handschoenen:
De leren honkbalhandschoenen variëren in afmetingen en gewicht en ook in model; voor sommige posities in het veld worden namelijk afwijkende modellen handschoenen gebruikt.
De normale veldhandschoen herkent men aan de vingers. In het binnenveld worden relatief kleine handschoenen gebruikt en in het buitenveld relatief grote. De afmetingen zijn echter wel aan minima en maxima gebonden.
De 1e honkman mag een apart model handschoen gebruiken. Deze is meestal flink wat groter dan de gewone binnenveldhandschoenen en bovendien bestaat het vanggedeelte uit één stuk, geen vingers dus. Met deze handschoen kan beter worden gevangen, maar heeft als nadeel dat de bal diep in de handschoen komt en dat het dus langer duurt om een tweede actie te maken.
De achtervanger tenslotte gebruikt ook een apart model handschoen. Dit model is speciaal gemaakt om de harde worpen van de werpers goed mee te kunnen vangen. Deze handschoen is wat groter dan de normale binnenveldhandschoen. Ook is het vanggedeelte uit één stuk en veel steviger dan bij alle andere modellen.
Speciale beschermende materialen: Bij elke spelersuitrusting behoort ook een toque ter bescherming van de geslachtsdelen.
Op bepaalde posities of onder bepaalde omstandigheden worden aanvullende materialen gebruikt. Als je aan slag bent zul je een helm moeten dragen waarbij tevens je oren beschermd zijn. Het speciale slaghandschoentje is niet zo zeer voor veiligheid, maar voor een betere grip op het rubberen handvat van de knuppel.
De achtervanger gebruikt de meeste beschermende materialen, hij heeft dan ook de gevaarlijkste positie. Hij gebruikt beenbeschermers, die ook de knieën bedekken, met vlak onder de knieholtes zogenoemde kneesavers bevestigd om de knieën tegen slijtage te beschermen. Verder gebruikt hij een bodyprotector die het hele bovenlichaam bedekt behalve de armen en de gooischouder (dus wel de vangschouder), en een speciale helm met een klepje onderaan dat de keel beschermt. Ook komt het voor dat achtervangers duimprotheses dragen omdat de duim achterover slaat wanneer de bal in de handschoen komt, dit in verband met effectballen die de werper eventueel gooit.
Plaatscheidsrechters gebruiken vrijwel dezelfde set beschermende materialen als de achtervangers, met als extra nog bescherming waar de achtervanger dat niet heeft, zoals op de armen en beide schouders. Ook dragen ze speciale schoenen met stalen neuzen.
Spelregels
Een wedstrijd bestaat uit negen innings en elke inning uit twee speelhelften. In de ene speelhelft wordt door het thuisspelende team verdedigd en door het bezoekende team aangevallen, in de andere speelhelft zijn de rollen omgedraaid.
De halve inning van de aanvallende partij eindigt wanneer sprake is van drie uit.
Een uit wordt onder andere gegeven wanneer:
- een geslagen bal rechtstreeks (zonder de grond te raken) wordt gevangen door de verdedigende partij
- er sprake is van drie keer slag
- een van de aanvallende spelers wordt uitgetikt terwijl hij niet op een honk staat
- een van de aanvallende spelers uitgebrand wordt; de bal is dan eerder 'op' het honk dan de loper. Dit geldt alleen als sprake is van een gedwongen loop: de loper is gedwongen een honk op te schuiven
Een van de teams verdedigt (staat in het veld) terwijl van het aanvallende team steeds een speler aan slag is. Alleen het team dat aan slag is kan punten scoren.
Het veld bevat vier honken. Wanneer een aanvallende speler alle vier de honken passeert dan wordt er een punt gescoord. Wanneer de honken in één slagbeurt worden gepasseerd dan heet dat een homerun. Een homerun levert ook één punt op.
De werper gooit een bal over het vierde honk, de thuisplaat. De bal moet over de plaat gaan en moet tussen knie- en schouderhoogte van de slagman terechtkomen. Is de worp niet in dit vak dan levert de worp een wijd op. Is de worp wel in dit vak dan levert dit een slag op. Dit wordt beoordeeld door een scheidsrechter, die achter de catcher en de thuisplaat staat. De aanvallende speler mag bij vier wijd naar het eerste honk lopen en zal dus alleen (proberen te) slaan op goede worpen. Hij moet steeds in een fractie van een seconde de worp beoordelen en beslissen. Anderzijds zal de werper de hoogte, snelheid en het effect van zijn worp variëren om het de slagman te bemoeilijken. Als de slagman slaat op een bal buiten het vak dan wordt dat als een slag beschouwd. Drie keer slag levert een uit op.
De partij met de meeste punten wint.
Geschiedenis - Clubs - Spelers
Honkbal kwam in de jaren '20 overwaaien uit de Verenigde Staten, waar het toen al een professionele sport was. Tot de jaren '60 werd honkbal hoofdzakelijk in Amsterdam en Haarlem gespeeld, en daar kwamen de meeste kampioenen vandaan: Blauw Wit, SC Haarlem, OVVO, Schoten.
In 1956 nam Nederland voor het eerst deel aan een Europees Kampioenschap, werd meteen kampioen en herhaalde dat vrijwel onafgebroken tot 1975. Sindsdien maakt Italië met Nederland uit wie de sterkste honkbalnatie in Europa is. Honkbal wordt ook beoefend in o.m. België, Zweden, Duitsland, Spanje en Frankrijk. Recent komen er Oost-Europese landen bij: Tsjechië en Rusland.
De laatste tien jaar kan Nederland zich mondiaal meten met de sterkere honkballanden uit Noord- en Midden-Amerika en Azië, zoals Cuba, VS, Zuid-Korea, Japan.
Hoogtepunt in de nationale honkbalhistorie was de overwinning op Cuba bij de Olympische Spelen in 2000 (de eerste Olympische nederlaag ooit van veelvoudig Olympisch en wereldkampioen Cuba). Bij het WK 2005, dat werd gespeeld in Nederland, behaalde Nederland een historisch hoogste vierde plaats.
De meest succesvolle club in de Nederlandse honkbalhistorie is Haarlem Nicols. De laatste tien jaar is het Rotterdamse Neptunus veelal de sterkste ploeg. De oudste nog spelende club van Nederland is AHC Quick in Amsterdam (sinds 1913).
Beroemde Nederlandse honkballers zijn onder anderen Herman Beidschat, Robert Eenhoorn, Henk Keulemans, Roel de Mon, Win Remmerswaal, Simon Arrindell, Hudson John, Hamilton Richardson, Han Urbanus, Charles Urbanus sr en jr, Cor Wilders.
En van de huidige generatie Johnny Balentina, Patrick Beljaards, Rob Cordemans, Rikkert Faneyte, Dirk van 't Klooster, Raily Legito, Eddie Dix en Harvey Monte.
Beroemde Amerikaanse honkballers zijn Hank Aaron, Yogi Berra, Ty Cobb, Joe DiMaggio, Lou Gehrig, Mickey Mantle, Babe Ruth en Derek Jeter.