Kosovo






Kosovo (Косово,
Albanees:
Kosova) is
de iure een
regio van
Servië die tegen
Albanië en
Macedonië aan ligt. De hoofdstad is
Prishtina (300.000 inwoners), tevens het economisch en cultureel centrum.
De facto heeft de republiek Servië geen enkel gezag in Kosovo, dat een bevolking van veelal etnische Albanezen heeft. De informele president van Kosovo is de Albanese schrijver en leider van de politieke partij Democratische Liga van Kosovo Ibrahim Rugova (gekozen in 1992 en herkozen in 1998). Bij het uiteenvallen van het voormalige Joegoslavië speelden de gebeurtenissen in Kosovo een belangrijke rol.
Vroege geschiedenis van Kosovo
De oudst bekende bewoners van "ex-Joegoslavië" waren de Illyriërs: zij namen rond het jaar 1000 v.C. grote delen van het land in bezit, met de lange kuststrook als geliefde woonplaats. In de loop der jaren werden zij berucht om hun zeeroverij, waartegen echter door de Romeinen sinds de 3e eeuw v.C. met succes werd opgetreden. In de 1e eeuw v.C. namen de Romeinen grote delen van het Illyrische binnenland - tot aan de Donau - in bezit. Het gebied werd toen in korte tijd geromaniseerd.
In de 5e eeuw n.C. staken de eerste Slavische stammen de Donau over, en trokken door het geromaniseerde land ten zuiden (joego = zuiden) van de vroegere Romeinse grensrivier. Zij kwamen er onder invloed van de Romeins-Byzantijnse cultuur en maakten er kennis met het christendom, dat door enkele stammen werd aanvaard. Deze Zuidelijke Slaven (> Joego-Slavija) vormden geen eenheidsstaat, maar verschilden in taal, geloof, cultuur en bestuursvorm. Zij woonden in van elkaar geïsoleerde landschappen. Dwars door het land liep sinds 395 de grenslijn tussen de invloedssferen van Rome en Constantinopel. Zo bleef het oostelijke deel (Servië & Montenegro & Macedonië) overwegend orthodox en hanteert het Cyrillische alfabet, het westelijke deel (Slovenië & Kroatië) is katholiek en hanteert het Latijnse alfabet.
In de 6e eeuw n.C. namen de Slavische Serviërs het huidige Servië in bezit. Ook zij vormden zeker géén eenheidsstaat, integendeel: kleine vorstendommen (bestuurd door een župan) leefden in voortdurende staat van oorlog met elkaar. Pas in de 12e eeuw n.C. slaagde Stefan Nemanja erin een Servisch Koninkrijk te stichten dat zijn opvolgers voortdurend uitbreidden. Het werd een machtige Balkanstaat onder Dušan (1331-1355), die zich in 1346 de titel van keizer (tsaar) toe-eigende. Het Servische rijk vormde zelfs tijdelijk een bedreiging voor het langzaam verkwijnende Byzantijnse Rijk.
De Slag bij het Merelveld
Reeds onder de regering van tsaar Dušan begon de dreiging uit het Oosten: in 1354 zetten de Turken voor het eerst voet aan wal op de Balkan. Het machtige Servische keizerrijk vond een tragisch einde op 28 juni 1389, toen het Servische leger door de Turken verpletterend werd verslagen bij Kosovo Polje (letterlijk Merelveld). Ook de Turkse sultan Moerad I vond de dood, echter niet op het slagveld, maar in zijn zijden tent, waar hij werd vermoord door een dolkstoot van de Servische edelman Miloš Obilič. De Turken namen wraak en onthoofdden de Servische tsaar Lazar op het lijk van hun vermoorde sultan. De veldslag duurde zestien dagen. Na de dood van Moerad nam zijn opvolger Bajezzid het bevel over.
De slag van Kosovo Polje werd bezongen in talloze epische treur- en heldenzangen en 28 juni werd sindsdien de nationale rouwdag, de Vidov dan. Iedere lente bloeien op de door bloed gedrenkte grond rode pioenrozen op: volgens een legende zijn ze ontsproten uit het bloed van de Servische helden. De bloedige nederlaag in Kosovo besliste voor vijf eeuwen over het verloop van de Servische geschiedenis. Sultan Bajezzid maakte de Serviërs schatplichtig en behandelde hen als vee. Geregeld kwam het vernederde volk in verzet, maar de Turkse overmacht bleef veel te groot.
Turkse overheersing
Net zoals elders in de Balkan ontwikkelden de Turken hun wingewesten in Servië niet, maar buitten het uit. Jonge jongens werden ontvoerd en bij Turkse regimenten ingelijfd (o.a. de Janitsaren, de lijfwacht van de sultan in Istanbul). Inzake godsdienst waren de Turken tolerant: ze dwongen de bevolking niet om tot de islam over te gaan. De christenen - de Serviërs zijn orthodox - mochten hun eigen godsdienst blijven beoefenen. Wel namen duizenden het islamitische geloof aan uit opportunisme, om er beter van te worden: een baantje verwerven of zijn grondgebied veilig stellen. Onder hen talloze Albanezen, die van de Servische zwakheid en het machtsvacuüm profiteerden om zich massaal in Kosovo te komen vestigen. De Turken lieten uiteraard begaan. Het overwegend Servische Kosovo kreeg zo steeds meer Albanese inwoners, tot het percentage begin 20e eeuw de 50% passeerden en de Albanezen de meerderheid waren geworden.
Het wachten op de bevrijding duurde eeuwen. Pogingen tot opstand in 1804, 1809 en 1815 werden op bloedige wijze gewroken. Na de Russisch-Turkse Oorlog, die eindigde met een volkomen nederlaag van de Turken (vandaar het gevoel van solidariteit tussen Serven en Russen), werd Servië in 1878 een 'onafhankelijke staat'. Het zinde Servië echter niet dat het Conges van Berlijn aan Oostenrijk het recht verleende om Bosnië-Herzegovina - waar ook veel Serven woonden - te bezetten. Deze kwestie werd in 1914 de aanleiding tot de moord op de Oostenrijkse troonopvolger Frans Ferdinand te Sarajevo, die de Eerste Wereldoorlog deed ontstaan. Frans Ferdinand bezocht Sarajevo uitgerekend op 28 juni. Wat een uitdaging! De moord was het werk van één fanatieke Servische nationalist: ene Gavrilo Prinčip. Ook de Bosnische burgeroorlog in de jaren negentig (1992-1995) is nog steeds een gevolg van het Servische ongenoegen.
Het Koninkrijk van de Serviërs, Kroaten en Slovenen
Na de Eerste Wereldoorlog smolten Servië, Montenegro, Slovenië, Kroatië, Bosnië-Herzegovina en Macedonië samen tot de 'staat Joegoslavië': een bont allegaartje van de meest uiteenlopende culturen, onder de naam "Koninkrijk van de Serviërs, Kroaten en Slovenen". De Serviërs speelden van bij het begin de baas in het nieuwe koninkrijk, en dat kon nooit goed gaan, zeker niet op de Balkan waar de zucht naar vrijheid en zelfstandigheid zo diep verankerd is. Naast politieke, economische en culturele tegenstellingen waren er ook godsdienstige: katholieke Kroaten en Slovenen (± 30 %) tegenover orthodoxe Serviërs (± 40 %), en dan had je ook nog een belangrijke moslim-minderheid (± 15 %), vooral in Bosnië en bij de Albanezen in Kosovo. Tijdens het laatste decennium van het Interbellum moedigde de overwegend Servische regering de Serviërs aan zich in Kosovo te vestigen.
In april 1941 vielen de troepen van Hitler het verdeelde land binnen. De Duitsers werden door vele Kroaten als bevrijders onthaald, omdat ze met hun hulp verlost hoopten te worden van de 'Servische onderdrukkers'. De Duitsgezinde 'ustaši' mochten ongestoord hun haat botvieren op alles wat niet-katholiek en niet-Kroatisch was. Dit zou later de Kroaten een slechte naam bezorgen in het naoorlogse Joegoslavië, zeker bij de Servische nationalisten, de 'četniki'. Enkele verontrustende cijfers: 700.000 Joegoslaven lieten het leven in de strijd tegen de Duitsers, en 1 miljoen in de onderlinge strijd!! Omdat er ook nog vele andere schattingen bestaan van het aantal slachtoffers is een juist cijfer niet te geven.
De Italianen hadden via Albanië ook Kosovo bezet en geannexeerd. Aangezien Albanië sinds de val van koning Zog een personele unie met Italië en Abessinië vormde, betekende iedere uitbreiding van Albanië een uitbreiding van Italië. Dit land had dus alle belang bij een Albanese dominantie, en trachtte dit derhalve te bewerstelligen door Albanezen aan te moedigen zich in het gebied te vesigen, en Serviërs weg te jagen. Vanaf 1943 werd het gebied echter door de Duitsers bezet, die zich op hun beurt snel moesten terugtrekken.
Tito
In het hopeloos verscheurde land kwam tenslotte in 1945 Josip Broz Tito met zijn communistische partizanenleger als overwinnaar uit de strijd. Hij beloofde van Joegoslavië een statenbond maken, met gelijke rechten voor alle deelstaten, wat hem voor alle partijen aanvaardbaar maakte. Hij groeide van partizanenleider uit tot een gerespecteerd staatsman. Als president voor het leven voerde Tito een dictatoriaal bewind, dat hem in staat stelde de ruziestokers voor tientallen jaren de mond te snoeren.
Tito overleed op 4 mei 1980. Hij ging de geschiedenis in als de communistische leider die de Russische opmars naar het westen een halt wist toe te roepen: hij weekte zijn land los uit het Oostblok, volgde zijn eigen weg en gaf het communisme in Joegoslavië een eigen gestalte. Na de dood van Tito leidden de onderhuidse etnische spanningen opnieuw tot gewelddadige confrontaties: zijn levenswerk bleek een maat voor niets te zijn geweest. Ondanks alle militaire agressie kon Servië uiteindelijk niet beletten dat de eeuwenoude frustraties en haatgevoelens de Joegoslavische statenbond in de jaren negentig weer deden uiteenvallen. Servië en Montenegro vormden een nieuwe federatie, die officieel staatsgemeenschap Servië en Montenegro heet. Servië heeft twee provincies met beperkte autonomie: Vojvodina (met een belangrijke Hongaarse minderheid) en Kosovo (met een belangrijke Albanese meerderheid).
Onder Tito's heerschappij werden de Albanezen met rust gelaten, hoewel na de repressieve acties in 1974 en 1976 de Serviërs 75% van de belangrijke (overheids)functies bekleedden. De Albanezen vormden echter rond de 85% van de bevolking, mede door hun hogere bevolkingsgroei. De Servische minderheid woonde hoofdzakelijk vrij geconcentreerd in het noorden, met een aantal verspreide gemeenschappen over de rest van het land.
Conflicten om Kosovo
Na repressieve acties tegen de Albanezen in Kosovo in 1974 en 1976 brak op 11 maart 1981 in Kosovo een opstand uit, gevoerd door de Albanese inwoners. Zij eisten dat Kosovo net als alle overige republieken behandeld zou worden met de leus Kosovo - republiek (één van de Joegoslavische republieken). Na het neerslaan van de opstand, waarbij volgens de Servische autoriteiten 11 doden en 257 ernstig gewonden vielen (Albanese cijfers spreken daarentegen van 1.600 doden en ongeveer een gelijk aantal gewonden) werden ongeveer 2.000 Albanezen gevangen gezet, waaronder een belangrijk deel van de Albanese intelligentsia en Albanese partijkaders.
Uit de volkstelling van 1981 bleek dat van de 1.580.000 inwoners van Kosovo 1.230.000 zich als Albanezen beschouwden. Tegelijk bleek dat de banen in de publieke sector op dat moment voor tweederde deel door Serven bezet werden. Deze opstand was slechts een voorproefje van de opstand in 1986, die uiteindelijk ook zijn uitwerking in andere republieken van Joegoslavië zou hebben (discussie over democratie, solidariseren van politieke oppositie met de partij in sommige republieken, vragen naar de rechtmatigheid van de inzet en rol van het federale leger).
Nog in 1953 hadden de Serviërs op het slagveld van Kosovo Polje een gedenkteken opgericht voor de in deze veldslag gesneuvelde Servische soldaten én voor de koppige strijders voor de onafhankelijkheid in de eeuwen daarna. De kwestie Kosovo speelde gedurende het uiteenvallen van Joegoslavie, dat versneld inzette sinds 1986 toen Slobodan Milosevic een prominente plaats ging bezetten, een belangrijke rol. Servische nationalisten zoals Miodrag Bulatović, Dobrica Čosić, Slobodan Milošević en de Servisch-Orthodoxe Kerk hamerden erop dat Kosovo de bakermat van de Servische beschaving was en dat Kosovo daarom nooit en te nimmer mocht worden prijsgegeven aan de Albanezen. Het Groot-Servische nationalisme gebruikte de mythe Kosovo om het gevoel van bedrogen en bedreigd te zijn, te cultiveren. De Albanezen, zo betoogde men, waren uit op de stichting van een Groot-Albanië, dat ook Kosovo, en delen van Montenegro en Macedonië moest omvatten. Deze staat zou een fundamentalistisch-islamitisch karakter krijgen. Servië werd afgeschilderd als een christelijk bastion tegen het moslimfundamentalisme. Men hield er geen rekening mee, dat de demografische ontwikkeling van Kosovo allang een Albanees terrotorium gemaakt had. Daarnaast had het eigenlijke Albanië absoluut geen behoefte aan conflicten aan de grenzen, noch de middelen om de Kosovaren te steunen.
In 1989 maakte Milošević door middel van georkestreerde demonstraties een eind aan de autonomie van Kosovo. Het gebied kwam weer volledig onder Servisch bestuur. Honderdduizend Albanezen raakten hun werk kwijt en hun parlement werd naar huis gestuurd. De Albanese bevolking van Kosovo reageerde daarop door zich onder leiding van Ibrahim Rugova ondergronds te organiseren: ze stichtten een schaduwsamenleving die onafhankelijk was van de "bovengrondse" door de Serviërs geleide samenleving. De Albanese schaduwsamenleving in Kosovo kende een eigen regering en parlement, een universiteit, scholen, ziekenhuizen en zelfs een systeem van sociale zorg. Dit werd gefinancierd door middel van een eigen belastingsysteem en met hulp van Kosovaren die in het buitenland werken. Intussen was er vanuit de internationale gemeenschap weinig aandacht voor de onderdrukking van Albanezen die plaatsvond in Kosovo. Men had de handen vol aan brandhaarden elders op de Balkan, en voor Kosovo was geen tijd.
In 1997 veranderde dit echter. Milošević zag zijn positie bedreigd worden door de oppositie. Economische misère door de internationale boycot en grootschalige corruptie en misdaad hadden de meeste Serviërs van hem vervreemd. Tegelijkertijd radicaliseerde een deel van de Albanese bevolking, die aanvoerde dat acht jaar van vreedzaam verzet geen enkel resultaat en geen enkele verbetering had opgeleverd. Zij stichtten het Kosovo Bevrijdingsleger (UÇK), dat brak met het pacifisme van Rugova en dat de wapens opnamen tegen de Serviërs. Wat volgde waren aanslagen op Serviërs en op Albanezen die van collaboratie verdacht werden. In februari dat jaar antwoordde Belgrado met een groot militair offensief, bedoeld om het UÇK voor eens en voor altijd uit te schakelen. Dit offensief ging gepaard met het middel van "etnische zuivering" dat in Kroatië en Bosnië al eerder was toegepast. Hele dorpen werden met de grond gelijk gemaakt en tienduizenden Albanezen vluchtten. Velen van hen werden ook gedwongen om de streek te verlaten. Binnen een jaar vielen tweeduizend doden en raakte een kwart van de totale bevolking dakloos. Een onbedoeld gevolg was dat de Albanezen radicaliseerden en zich massaal aansloten bij het UÇK (hoewel sommigen echter beweerden dat Milošević graag een sterk UÇK wilde om de Serviërs bang te houden, zodat zij hem als "redder" zouden steunen). Ook vluchtten veel Albanezen naar het nabijgelegen Montenegro, waar zij zorgden voor een verzwakking van de positie van Milosevic' tegenstander Djukanović.
De interesse van de internationale gemeenschap werd gewekt. In oktober 1998 werd er een akkoord bereikt, dat echter direct daarna door de Serviërs werd geschonden.
Vervolgens besloot men tot het houden van de Kosovo-conferentie in het Franse Rambouillet, in februari 1999. Het plan dat hier werd opgesteld was dat Kosovo voor een periode van drie jaar zelfbestuur zou krijgen, maar niet onafhankelijk zou worden. De Kosovaren tekenden het plan in maart 1999, op de vervolgconferentie in Parijs. Maar de Serviërs bleven weigeren, omdat het plan ook een NAVO-troepenmacht in Kosovo bedong en dat werd onacceptabel bevonden. Ook op straffe van NAVO-luchtaanvallen ging Servië niet akkoord.
Eind maart kwamen die luchtaanvallen dan ook. Na 78 dagen van bombardementen op Servische doelen binnen en buiten Kosovo tekende Belgrado de vrede en werd Kosovo ontruimd.
Zie ook de Kosovo-oorlog
De huidige situatie
Sindsdien staat Kosovo onder bestuur van de Verenigde Naties die daartoe de missie UNMIK (UN Mission in Kosovo) hebben opgericht. Een NAVO vredesmacht met de naam KFOR (Kosovo Force) houd toezicht op de openbare orde. De Albanezen zijn naar hun huizen teruggekeerd, en trachten hun leven weer op te bouwen. De Serviërs zijn op hun beurt gevlucht naar noord-Kosovo (met name rond Kosovska Mitrovica), waar de Serviërs nog een meerderheid vormen, en naar het eigenlijke Servië. Het Kosovaarse parlement zorgt in overleg met UNMIK voor wetgeving, die op sommige gebieden de Servische wetgeving volledig heeft vervangen (m.n. strafrecht).
Weblinks
Deelonderwerp