Stedentrips 1              net/05a_gif_234x60_nl.gif

Home
     


Willy VandersteenEmail deze pagina naar vriendenPrinter-vriendelijk formaatBookmark deze paginaWinkel voor artikelen gerelateerd aan Willy VandersteenVergroot de tekstgrootteVerklein de tekstgrootte

Willy Vandersteen15 februari 1913 te Antwerpen – † 28 augustus 1990) was een Belgische striptekenaar, vooral bekend van de stripreeks Suske en Wiske.

Jeugd

Willy Vandersteen groeide op in de Antwerpse wijk "De Seefhoek" als zoon van een beeldhouwer/ornamentmaker/mouleerder. Zijn tekenaanleg en fantasie waren tijdens zijn kindertijd al opvallend. Hij tekende wielerwedstrijden op de stoep en bedacht verhalen en toneelstukjes die zijn leeftijdsgenoten vervolgens naspeelden. De jongen verslond boeken en droomde op school regelmatig weg tijdens de lessen geschiedenis. Toen hij eens over de kruistochten geleerd had trokken hij en enkele kinderen uit de buurt verkleed als ridders naar de kerk om er zich te laten zegenen. De onderpastoor zei hen echter dat het Heilig Graf al bevrijd was.

Zijn leraren berispten hem regelmatig met de woorden: "Het enige wat jij goed kunt is tekenen en schrijven, maar daar kun je later toch nooit je brood mee verdienen."

Terwijl hij avondlessen tekenen volgde aan de Antwerpse Akademie voor Schone Kunsten hielp Vandersteen ook regelmatig zijn vader in diens werkatelier. Hij was zeker getalenteerd genoeg om in zijn vaders voetsporen te treden, maar toen in de jaren '30 de meer moderne en sobere architectuur van de Jugendstil haar intrede deed was de ornamentkunst plots uit de mode. Vandersteen besloot daarop timmerman te worden tot hij besloot dat decorateur meer iets voor hem was. Als etalageontwerper bij het Antwerpse warenhuis Innovation kreeg de jongeman op een dag de opdracht een model uit een Amerikaans modetijdschrift op een paneel over te tekenen. Vandersteen las het magazine eerst even door en stuitte toen per toeval op een artikel over strips. Het stuk boeide hem zo enorm dat hij besloot striptekenaar te worden.

Vroege carrière

Onder het pseudoniem "Wil" tekende Vandersteen voor het blad "De Dag"; De lollige avonturen van Pudifar, bestemd voor de kindereditie, Wonderland, op woensdag. Tijdens de bezetting waren alle Amerikaanse strips door de nazi's verboden en daarom was de hoofdredacteur blij met werk dat door een Vlaming getekend was. Omdat de nazi's echter mensen ronselden voor hun werkkampen moest Vandersteen een veiliger beroep zoeken. Via zijn zwager vond hij een baan als grafiek-omzetter in een landbouw- en voedingsbedrijf, maar omdat dit zo'n saaie job was begon hij uit verveling in de marges van de bladen te tekenen. Vandersteen wekte de sympathie op van zijn collega's en afdelingschef en mocht het vakblad van de slagers illustreren. Ook de wachtkamer en de personeels- en vergaderzalen mocht hij onder handen nemen. Zo kwam hij in contact met J. Meuwissen, een Nederlander die sinds 1936 het blad Bravo uitgaf en op zoek was naar Vlaams en Nederlands tekentalent nu er geen Amerikaanse strips meer mochten gepubliceerd worden. Vandersteen mocht nu wekelijks een pagina vol tekenen rond Sindbad de zeerover, Thor de holbewoner en Lancelot. Het waren stuk voor stuk erg onbeholpen, maar charmante strips die de lezers wel op de lachspieren werkten. Het werk was zwaar: Vandersteen pendelde elke weekdag tussen Antwerpen en Brussel en was meestal pas om 9 uur thuis waarna hij dan pas aan het tekenwerk kon beginnen.

Op een dag liep hij op de vlucht tijdens een bombardement op de stad een ouwe scoutsvriend tegen het lijf. Deze was inmiddels uitgever geworden en vroeg Vandersteen of hij voor hem een gans stripalbum kon tekenen. In een week tijd tekende Vandersteen zo een gans album rond Piwo het houten paard vol. Het boek zou pas later verschijnen uit papiergebrek, maar Vandersteen werd wel betaald en de opdracht gegeven nog twee titels bij elkaar te tekenen, wat hij ook prompt deed. Een andere scoutskameraad van Vandersteen was drukker geworden en zocht hem op met de vraag of hij niet enkele jeugdverhalen kon tekenen voor hem. Er volgden 4 kleurrijke boekjes; Zoo ik een Indiaantje was, Zoo ik een een Eskimootje was, Zoo ik een Zeerovertje was en Zoo ik een Riddertje was. De verhalen werden door Casterman in het Frans vertaald.

Suske en Wiske

Met de ervaringen die hij nu had opgedaan trok Vandersteen in 1944 naar de Standaard Uitgeverij met een nieuw stripverhaal rond twee nieuwe figuren; Suske en Wiske. Naar Amerikaans voorbeeld wou hij zijn strips in de krant laten verschijnen opdat ze zo een vast publiek zouden vinden. Het duurde een jaar vooraleer de uitgever de tijd rijp achtte om het verhaal uit te geven. Op 30 maart 1945 was de strip voor het eerst in een krant te lezen, al had de uitgever de reeks wel omgedoopt in Rikki en Wiske. Rikki en Wiske werden meteen een succes, temeer omdat er toen op Vlaamstalig stripgebied amper concurrentie was. De herkenbare situaties, het Antwerpse taalgebruik, het volkse karakter, de humor, spanning en knipoogjes naar de naoorlogse actualiteit vielen erg in de smaak bij de lezers. Ook Vandersteen zelf wist dat hij toen juist op het goede moment kwam:

"Het succes was (...) aan drie factoren toe te schrijven. In de eerste plaats het tijdstip. Na vijf jaar oorlogsmisère hadden we hier behoefte aan iets luchtigs, iets ontspannends. Geen zwaartillende literatuur, we hadden in de oorlog allemaal zelf romans genoeg meegemaakt. We hadden hier behoefte aan een glimlach bij het ontbijt. In de tweede plaats kregen Suske en Wiske een eigen volksaard mee. Als er gehekeld wordt, dan is dat een soort hekelen zoals de volksmens dat doet: goedmoedig kafferen op lokale wantoestanden. En ook de humor is bekend, de zalf van grauwe tijden. Ten slotte kwam er in die periode meer geld in omloop en er was meer vrije tijd. Er ontstond ruimte voor een tekenverhaal. Dat was mijn geluk."

(Willy Vandersteen in: "Ik vier het elke dag, 65" door Erik Durnez, Standaard Uitgeverij, 1978)

Vandersteen was echter niet gelukkig met het eerste avontuur; Rikki en Wiske in Chocowakije. De naam "Rikki" was hem niet volks genoeg en bovendien was de manier waarop hij getekend was teveel op Kuifje geïnspireerd. Rikki was daarbovenop Wiske's oudere tienerbroer, terwijl Vandersteen Wiske liever een jongen die even oud als zij was als tegenspeler gaf. Zo verscheen in het tweede album, Op het eiland Amoras Suske ten tonele. Tante Sidonia (toen nog Tante Sidonie) had al in het vorige album haar opwachting gemaakt en nu maakten ook Professor Barabas en het spook Sus Antigoon hun debuut. Lambik zou in 1947 zijn opwachting maken in De sprietatoom, Jerom in De dolle musketiers (1952) en booswicht Krimson in Het rijmende paard (1962). De teletijdmachine werd voor het eerst gebruikt in De tuf-tuf-club (1952).

Suske en Wiske werden zo'n succes dat mensen enkel de kranten waarin de strips verschenen kochten. Toen Vandersteen in 1947 naar de krant "De Standaard" overstapte, volgden zo'n 250 abonnees hem op de voet. In de loop der jaren werd het in Vlaanderen een traditie de krant van achter naar voren te lezen. Eerst las men wat er die dag met Suske en Wiske gebeurd was voor men het overige nieuws doornam. Ook andere kranten moesten nu hun eigen strips hebben om de concurrentie met "De Standaard" aan te kunnen. Zo maakte Vandersteen de weg vrij voor Marc Sleen, Jef Nys en vele andere striptekenaars in Vlaanderen. Het succes van de reeks was zo groot dat hij in 1948 door het weekblad "Kuifje" benaderd werd met de vraag of hij ook voor hen wilde komen tekenen. Dankzij Vandersteen werd het blad ook buiten Franstalig België een succes. Hij zou van 1948 tot 1959 voor "Kuifje" verscheidene verhalen rond Suske en Wiske tekenen die later allen in een blauwe kaft gebundeld zouden worden en daarom bekendstaan als de Blauwe Reeks. Omdat Hergé wou dat Vandersteen een meer gladde professionele stijl hanteerde die bij de rest van het blad paste zien de figuren er heel anders uit dan in de krantenstrips uit die dagen. Alles was technisch knapper getekend, Wiske kreeg een ander kapsel en werd net als Suske meer een tiener dan een kind, Lambik werd iets minder dom en allemaal hadden ze een veel gespierder uiterlijk. Sidonia, Barabas of Jerom kwamen in deze reeks niet voor. De scenario's werden realistischer en de absurde en fantastische elementen verdwenen bijna volledig. De verhalen uit deze reeks worden gezien als enkele van de beste die Vandersteen ooit tekende: Het Spaanse spook, De bronzen sleutel, De Tartaarse helm, De schat van Beersel, Het geheim der gladiatoren, De gezanten van Mars, De groene splinter en Het gouden paard. De hoge eisen die Hergé aan Vandersteen's tekenstijl stelde zouden het tekenniveau van zijn krantenstrips later ook bevorderen. Hergé noemde Vandersteen zelfs "De Bruegel van het Beeldverhaal".

Studio Vandersteen

Vandersteen's strips verschenen nu in "De Standaard", maar ook in de afgeleide weekbladen van die krant: "Ons Volk", "Ons Volkske", "'t Kapoentje". Ook in "Kuifje", "Overal" en "De Bond" verschenen zijn tekeningen. Veel van de verhalen waren éénmalige vertellingen die in een meer realistische stijl getekend waren, zoals Tijl Uilenspiegel, Dr.Jekyll & Mr. Hyde en meer historische, science-fiction en detectiveverhalen. Maar ook gagstrips zoals De familie Snoek, De grappen van Lambik, De vrolijke bengels en 't Prinske bleven uit zijn potlood rollen. Omdat veel van deze reeksen nooit in albums verschenen zijn zijn ze ook nu nog gekoesterde verzamelobjecten voor stripliefhebbers. Vandersteen tekende al deze stripreeksen alleen en begon daarom in te zien dat hij wat hulp kon gebruiken. Zijn vrouw inkte al de tekeningen en spoedig nam hij talloze medewerkers in dienst die zich het inkten, kleuren, de lettering en het decors tekenen van hem overnamen. Zo ontstond in 1952 Studio Vandersteen. De reeksen die niet aansloegen liet hij vallen.

In 1954 begon hij de westernstrip Bessy. De collie was duidelijk gebaseerd op de populaire tv-hond Lassie en verscheen in het begin onder de schuilnaam "Wirel" (een samenvoeging van Vandersteen's voornaam en die van naast medewerker Karel Verschuere.). De reeks werd later ook een enorm succes in Duitsland.

Vandersteen liep toen ook al een paar jaar rond met het idee een ridderstrip te maken. Van jeugdschrijver Leopold Vermeiren kreeg hij de toestemming diens romanfiguur De Rode Ridder te gebruiken. Zo ontstond in 1959 één van zijn meest populaire reeksen die hij in 1967 door Karel Biddeloo liet overnemen.

Van 1959 tot 1967 verschenen de albums van Suske en Wiske in twee kleuren. Daarna in een meer uitgebreide kleurenpalet. De eerste 66 zwart-wit-titels zijn niet meer verkrijgbaar en hierom kan men op de achterkant van de albums enkel alles vanaf nr. 67 nog verkrijgen. De 66 zwart-wit albums zijn echter wel later in kleur opnieuw in de telling opgenomen.

De komende decennia zou Vandersteen nog regelmatig nieuwe reeksen beginnen, vaak gebaseerd op romans die hij als kind graag gelezen had en waar hij dan zijn eigen verhalen rond bedacht (Old Shatterhand (van Karl May), Biggles, Robert en Bertrand). Maar ook puur eigen creaties zoals Jerom en Tits. Veel van deze reeksen waren minder populair en werden zogauw hij de serie beu was doorgegeven aan zijn medewerkers. Vanaf eind jaren '50, begin jaren '60 spraken zijn figuren ook geen Vlaams meer, maar ABN zodat de reeks ook in Nederland een succes kon worden. In Suske en Wiske werden zelfs de namen van enkele hoofdpersonages veranderd: Tante Sidonie werd Sidonia en Wiske's pop Schabolleke (in sommige albums Schalulleke) werd Schanulleke. Ook begonnen veel albums allitererende titels te krijgen en moraliserende eindes. Veel Vandersteen-fans zijn daarom meer liefhebber van zijn strips uit de jaren '40 en '50, al bleven de albums aangenaam om te lezen.

In 1974 gaf hij Suske en Wiske uit handen. Paul Geerts zou tot 2002 de reeks voortzetten, sporadisch afgewisseld vanaf 1988 door Marc Verhaegen die in 2005 wegens twisten over een Suske en Wiske-strip rond de holocaust door de studio aan de deur werd gezet. Vandersteen zou zich tijdens de laatste jaren van zijn leven onophoudelijk bezighouden met het bedenken van nieuwe reeksen en als adviseur optreden bij de series die hij aan zijn medewerkers had overgeleverd. De laatste reeks die hij begon was De Geuzen 1985-1990, een serie waar tien albums van verschenen en die hij nooit uit handen wou geven.

In 1990 overleed Vandersteen. In zijn testament liet hij weten dat hij graag wou dat zijn strips werden voortgezet. Zijn werk is nog altijd erg populair en behoort tot het Vlaamse culturele erfgoed en de meest geliefde tekenverhalen in het Nederlandstalig taalgebied. Veel Vlaamse striptekenaars leerden het vak bij zijn studio of werken er. Ondanks de veelgehoorde kritieken dat de strips die er getekend worden veeleer ongeïnspireerd bandwerk zijn geworden en vooral Suske en Wiske niet meer zo leuk of spannend zijn als weleer verkopen de strips nog altijd goed. Van de oude succesreeksen weten echter enkel De Rode Ridder en Suske en Wiske zich nog staande te houden.

In 2005 werd Vandersteen genomineerd als één van de 111 kanshebbers op de titel De Grootste Belg. Hij eindigde op nr. 29.

Stijl

Veel van Vandersteen's strips bevatten humor en spanning. De verhalen spelen zich niet zelden af in een historische context en putten ook graag uit oude volkslegenden en sagen. Tot midden jaren '60 werd er in "Suske en Wiske" ook af en toe naar de actualiteit verwezen. Omdat dit in een krant beter werkte dan in de albums, waar dat soort grappen tegen dan vaak allang gedateerd waren verdween dit aspect uit de reeks. Zeker in "Suske en Wiske" speelde Vandersteen ook graag met taal door leenwoorden uit andere talen te verwerken in de het woordgebruik van sommige personages. Ook rijm, pseudo oud-Nederlands, achterstevoren uitgesproken zinnen, woordspelingen, alliteraties en vervormingen van het Antwerpse dialect komen veelvuldig voor.

Populariteit en invloed

In 1949 bewerkte Karel Weyler van Pats' poppenspel een aantal Suske en Wiskeverhalen voor het poppentheater die later ook op tv werden uitgezonden. In 1955 volgde er zelfs een reeks primitieve filmpjes op de beeldbuis. Er ontstond een stroom van merchandising en pogingen de reeks in andere landen te doen aanslaan. De verhalen bleken echter veel te Vlaams/Nederlands.

In 1978 kregen Suske en Wiske een standbeeld in de Antwerpse Zoo.

Eind jaren '80 werden enkele Suske en Wiske albums tot tekenfilms bewerkt. De animatie werd echter over het algemeen nogal traag en houterig bevonden. Van 1993 tot 2003 verscheen er een weekblad rond hen.

Van 1993 tot 1999 jaar werden ook de oude Suske en Wiske verhalen in hun oorspronkelijke krantenverschijning opnieuw uitgebracht in de Klassiek Reeks.

In 1994 en 2002 volgden er de musicals Suske en Wiske - De musical en De spokenjagers. En in 2004 de verfilming van het album De duistere diamant.

Bijna iedereen in Vlaanderen heeft in zijn jeugd of later minstens "Suske en Wiske" gelezen. Ook in Nederland en Suriname is de reeks onnoemelijk geliefd. Ook Vandersteen's andere reeksen beïnvloedden vrijwel elke striptekenaar in Vlaanderen: Marc Sleen, Jef Nys, Merho, Willy Linthout en Urbanus, Jan Bosschaert, Jean-Pol, Marc Legendre, Jeroom en Kamagurka. Als één van de klassiekers uit de stripwereld is Vandersteen ook doorheen de jaren een geliefd doelwit voor satire en parodie geweest. In 1983 verscheen er een beruchte pornografische parodie rond Suske en Wiske waar Vandersteen naar verluid ook een exemplaar van gekocht zou hebben. In "Urbanus" en de strips van Kamagurka, Gummbah en Jeroom is Vandersteen's stijl ook al vaak gepersifleerd. Zo is Ridder Bauknecht van Jeroom een parodie op De Rode Ridder.

Tot de series die Vandersteen bedacht behoren onder andere:


Pagina geladen in 0.049 seconden.

Terug naar boven | Sitemap bekijken | Hulp



Arts & Crafts | Australia Travel | Autos | Books | Business | Career & Jobs | Cars | Computer/Tech | Education | Entertainment | Family & Relationships | Finance | Food | Health | Home & Garden | Hotel Bookings | India | Internet | Law | Malaysia | Medical | Money | Pets | Real Estate | Self Help | Sports | Travel | Women